Heinrich Witte beschrijft een rustiek ensemble, 1869-1871

Bron: http://skd-online-collection.skd.museum/de/contents/showArtist?id=1503748

Bij toeval bezit ik in mijn boekerij een aantal negentiende-eeuwse reisboekjes voor de z.g. Sächsische Schweiz, de regio ten zuidoosten van Dresden, befaamd om haar bizarre rotsformaties, haar heuvels en haar dalen. En bij toeval, omdat ik er niet een reeks van heb willen maken, maar ze elk kocht om verschillende reden. In of na 1990, in de natijd van de DDR, schafte ik bij een kiosk op het plein voor Schloss Pillnitz voor luttel geld de reprint aan van Carl Heinrich Nicolai, Wegweiser durch die Sächsische Schweiz uit 1801.[1] Dit boekje staat aan het begin van het toerisme naar die streek. Ook onder Nederlanders werd het een locatie om te bezoeken, vooral mogelijk gemaakt door de aanleg der spoorwegen in het tweede en derde kwart van de negentiende eeuw.  Het charmante kleine boekje van dominee C. Hooijer, Drie dagen in het Saksisch Zwitserland, Arnhem 1845, is behoorlijk zeldzaam, en een aardige inleiding op hoe de Hollander naar dit geheel keek. Ik schafte dit exemplaar aan vanwege de veronderstelde zeldzaamheid, en betaalde voor de 59 pagina’s het toen forse bedrag van 30 gulden. Ook al weer vele jaren later kwam een klein boek van H.Witte op de veiling: In Saksisch Zwitserland, Haarlem 1871.[2] Nu was Heinrich (zijn vader was Duitser, vandaar) Witte mij wel bekend als de hortulanus van Leiden. Hij leefde van 1829 tot 1917, en was (een merkwaardigheid, omdat hij blijkbaar met succes vele lezingen hield) van jongs af aan stokdoof.[3] Ik was dus benieuwd wat onze heer Witte over de streek te zeggen had. Dat bleek een wisselend genoegen. Witte raakt niet uitgepraat over de berken en dennen en de verschillende mossen. Dat raakt mij wat minder. Opvallend is dat waar Hooijer nog van de oude gidsen gebruik maakt, Witte heel prozaïsch de Baedeker voor Midden-Duitsland na bladert. Ook deed hij 2 dagen over het reisje in plaats van Hooijer 3 dagen, wat ik ook al nipt vind. Deze laatste deed zoals gezegd slechts 59 pagina’s over zijn verslag, en Witte precies 100 pagina’s meer. Maar dan komt de auteur met een aardige opmerking van het soort dat ons inzicht geeft in het negentiende-eeuwse toerisme. Bij het pittoreske punt waar het stroompje de Amsel een waterval vormt, de Amselfall, mogelijk gemaakt in de drogere zomers door een klein reservoir dat dan door een oude vrouw voor een handgeld geopend wordt. ‘Intusschen verwijlen wij ook nú eenige oogenblikken met het grootste genoegen op deze koele plek, zetten ons even op de bank nabij de grot neder, ten einde ons met een glas bier te verfrisschen, en koopen er een photogram van den Amselfall. Zulke souvenirs kan men trouwens overal, ook te Dresden, verkrijgen.’[4] Plus ça change. Voor de passage die ons echter zo opviel in dit reisboek, moeten we bij het fragment zijn waar Witte tussen de dorpen Hohnstein en Schandau de z.g. Brand bezoekt. Dit is een plek die, naar men zegt, aldus genoemd wordt omdat er ooit een grote brand plaats vond, en die dan ook voluit Der Brand heet.[5] ‘[Er] staat een rustieke tent, met tafels, stoelen en banken, alles op wezenlijk sierlijke wijze uit stammen en takken van Dennen samengesteld; de tent is van achteren en van boven met schorsplaten van aanzienlijke breedte gedekt.’[6 Er bestaat een kleurenlitho uit ongeveer die tijd, 1867, door Gustav Täubert, voor een prentenreeks van de streek, getiteld ‘Der Brand bei Hohnstein […] mit Blockhaus, Pavillon und Aussicht nach Südwesten’. Maar we kunnen ons afvragen of dit is wat Witte beschrijft. Misschien was in de tussentijd (dus tussen vóór 1867, de tijd van publicatie van de prent hoeft immers niet de tijd van het vervaardigen van de tekening zelf te zijn, en 1869 toen Witte zin reisje maakte) een en ander weer veranderd. Die ‘schorsplaten’ die Witte noemt, moeten we ons voorstellen als de aaneengehechte oppervlaktes van kurkschors of in dit geval dennenschors, die in heel Europa zo populair waren in het derde kwart der negentiende eeuw. Witte toonde later, in zijn Tuinen, villa’s en buitenplaatsen uit 1876-1878 veel voorbeelden van wat blijkbaar bij hem ook een favoriete stijl was. Redelijk exacte benoemingen en waarderingen van de rustieke stijl uit die tijd zijn zeldzaam – blijkbaar was het alledaags.[7] Overigens bestaan van Der Brand eerdere prenten en beschrijvingen die heel andere bouwsels tonen en die we, met hun repercussies, een volgende keer zullen behandelen.[8] 

Wim Meulenkamp

De afbeelding is afkomstig van deze site.

[1] Uitgegeven in 1990 bij het Hellerau-Verlag, Dresden. Nicolais gids beleefde tussen 1801 en 1825 vijf oplages.

[2] Witte maakte de reis ‘in den nazomer van 1869’, in gezelschap van ‘een jong kruidkundige’; Witte, 6. In 1868 had hij zijn bekendste werk, Flora, voltooid, dus de nijvere auteur zal aan enig vertier toe zijn geweest. Voor de tuinhistorie is Witte belangrijker vanwege zijn 12delige seriewerk, gewoonlijk in een of twee delen gebonden, Tuinen, villa’s en buitenplaatsen, Leiden 1876-1878. Zie http://www.cascade1987.nl/tuinen-villas-en-buitenplaatsen-1876-1878-heinrich-witte/. 

[3] http://www.biografischwoordenboekgelderland.nl/bio/2_Heinrich_Witte.

[4] Witte, 60.

[5 ]Ik betwijfel dat – de naam zal wellicht een verbastering zijn. Overigens noemt Nicolai de plek al zo, met eenzelfde verklaring.

[6] Witte, 76.

[7] Ik gaf al aan in mijn artikel ‘G. van Laars Magazijn van tuin-sieraden als een voorbeeldenboek voor Nederlandse tuingebouwen’, Bulletin KNOB, LXXXII, 1983, nr. 2, 124-141, 132, dat Witte een sterke voorkeur voor de rustieke stijl ten toon spreidde.

[8] Hooijer geeft trouwens geen uitgebreide beschrijving van Der Brand en een eveneens vaderlandse auteur, de predikant J.J. van Oosterzee, Op reis: nieuwe bladen uit de portefeuille, Rotterdam 1856, 33-46, bezoekt de streek wel, maar is zeer kort in zijn beschrijving en noemt Der Brand in het geheel niet.

 

FacebooktwitterlinkedinmailFacebooktwitterlinkedinmail